Poëzie van Victor Hugo

Demain, dès l'aube

Demain, dès l'aube, à l'heure où blanchit la campagne,
Je partirai. Vois-tu, je sais que tu m'attends.
J'irai par la forêt, j'irai par la montagne.
Je ne puis demeurer loin de toi plus longtemps.

Je marcherai les yeux fixés sur mes pensées,
Sans rien voir au dehors, sans entendre aucun bruit,
Seul, inconnu, le dos courbé, les mains croisées,
Triste, et le jour sera comme la nuit.

Je ne regarderai ni l'or du soir qui tombe,
Ni les voiles au loin descendant vers Harfleur,
Et quand j'arriverai, je mettrai sur ta tombe
Un bouquet de houx vert et de bruyère en fleur.












Victor Hugo schreef dit. Vrijwel iedere Fransman kent dit gedicht en houdt er van. Op school krijgen leerlingen het onder ogen. Het heeft alles wat een gedicht hebben moet. Het is niet te lang. Het is begrijpelijk. Het is heel ontroerend. Het is is mooi.

Victor Hugo

Het is een gedicht dat het de lezer niet moeilijk maakt. De vorm is traditioneel. Je hoeft maar uit de verte naar de tekst te kijken, met halfgesloten ogen, en je weet: dit is bedoeld om als poëzie te worden beschouwd. Dichterbij gekomen vind je de drie strofen, met hun vier verzen ieder, alexandrijnen. Het gekruiste rijm, keurig afwisselend manlijk en vrouwelijk. Rijk rijm. Als je het van heel dichtbij bekijkt, merk je met hoeveel poëtische deskundigheid dit vervaardigd is. Je herkent alliteratie, enjambement, metafoor, alles zonder overdaad; het geheel geeft de indruk van grote eenvoud. Dat past ook bij de inhoud, want iedereen weet dat hier een vader spreekt, tot een kind. Dan doe je niet moeilijk.

Niet-moeilijk-doen houdt eenvoud in, maar sluit taalschoonheid niet uit. Als de vader vertelt dat hij morgen vroeg op weg zal gaan, gebruikt hij het mooie woord 'aube' en voegt toe 'à l'heure où blanchit la campagne'. En daarnaast zegt hij ook 'vois-tu', en drukt daarmee de bestaande verstandhouding, intimiteit, uit. De gebruikte persoonlijke voornaamwoorden in de eerste strofe zijn ik (5x) en jij (2x). Daarmee is de toon voor het gedicht gesteld. Het gaat om de vader en het kind. En speciaal om wat hij, de vader, doet en voelt in hun relatie.

In de tweede strofe benadrukt hij hoe treurig hij zal zijn tijdens zijn tocht. Hoezeer hij zich geïsoleerd zal voelen van de wereld om hem heen. Hij werpt een blik op zichzelf, hij ziet zichzelf de volgende dag al lopen met gebogen rug, helemaal opgesloten in zichzelf, met zijn sombere gedachten. Opvallend is de opstapeling van de preciseringen van zijn uiterst sombere stemming. Die opsomming in de tekst laat ons als het ware de lengte voelen van zijn treurige reis.

In de eerste twee verzen van de laatste strofe worden tijd en plaats van zijn aankomst in de realiteit geplaatst. Hij gaat naar een plaats in Normandië, bij de zee, want hij zal de zeilen zien van boten bij Harfleur. Het zal avond zijn, als het einde van voettocht in zicht is.

En dan, in de laatste twee verzen komt de verrassende ontknoping. Terwijl de voorafgaande verzen samen de vraag hebben gewekt waarom die vader de reis onderneemt en vooral ook waarom hij zo treurig is gestemd, blijkt de oplossing: hij gaat niet een levend kind bezoeken; hij gaat naar het graf van een kind dat gestorven is. Het woord 'tombe' vertelt het. En de woorden die vertellen wat hij op het graf gaat leggen drukken eenvoud uit en symboliseren bovendien onvergankelijkheid.

Victor Hugo is aan alle Fransen bekend, niet alleen zijn naam, maar ook zijn werk. Het Franse onderwijs draagt aan die bekendheid bij. Er zullen weinig Fransen zijn die niet weten dat Hugo dit gedicht heeft geschreven na de dood van zijn dochter Léopoldine en dat hij de voettocht inderdaad heeft gemaakt.

Dat weten geeft het gedicht een extra indringende kracht.

Het is een diamant in de wereldliteratuur.